Kort na de Bevrijding, in juli 1945, mochten wij als ambachtsschoolleerlingen, dankzij een of andere instantie voor herstelhulp, allemaal een gratis US-Army-jasje uitzoeken.
In de hal op de beganegrond lag een hele berg, met een legertruck aangevoerd en door onszelf uitgeladen. Kreukelige, chemisch geurende jasjes, vers gestoomd en tot en met de koperen knoopjes zwart geverfd. Jasjes, die eerder toebehoorden aan gesneuvelde of gewonde Yankees, zoals de directeur tevoren met vals omfloerste stem had toegelicht. Zo kort na de oorlog deed men nog aan piëteit, althans, deed men alsof men nog geroerd kon raken door de dood. Oprecht kon de directeur niet zijn, meende ik, wanneer de dood aan je was voorbijgegaan kon je hem alleen maar opgelucht nawuiven.
We hadden bij het uitladen al gemerkt dat in sommige jasjes kleine gaatjes zichtbaar waren, reden waarom er fanatiek slag werd geleverd om een exemplaar te bemachtigen waaraan zoveel mogelijk van dergelijke onvolkomenheden opvielen.
Als elkaar verdringende vrouwen op de lappenmarkt groeven we ons in de zwarte textielberg.
Of een jasje wel goed paste deed er zozeer niet toe. Zonder aarzelen koos ik een jasje dat naast het linker borstzakje een geschroeid gaatje vertoonde. Ik trok het jasje aan en spiegelde mezelf in het glas van de ramen.
Het gaatje was duidelijk zichtbaar, constateerde ik tevreden.
Maar reeds de volgende dag werd dat gaatje, ondanks mijn heftig protesteren, door mijn moeder met fijn garen vrijwel onzichtbaar hersteld. Kleren moeten behalve schoon ook héél zijn, vond ze.
O.k, maar toen was er geen lol meer aan, aan dat jasje.
© Willem Aalders